Klaas Dijkstra

Zeegroene zegge
Carex flacca


Klik op een afbeelding om te vergroten.


Stefan Lefnaer - cc by-sa 4.0

In het kort.

  • Zeegroene zegge of Carex flacca is een soort uit de Cypergrassenfamilie (Cyperaceae).
  • Het is een overblijvende, meestal 20-50 cm hoge plant.
  • Met uitlopers.
  • Lange, ver kruipende, weinig vertakte, dunne, donkere tot bijna zwarte wortelstokken.
  • Meestal gladde, stomp driekantige, tot 2 mm dikke stengels.
  • Vrij stijve, gootvormige, tot 2 mm dikke bladen met naar beneden omrollende, min of meer ruwe randen.
  • Zeegroene zegge bloeit in april en mei.
  • Stijf rechtopstaande bloeiwijzen met één tot drie dicht bij elkaar staande slanke mannelijke aren en daaronder twee tot vijf wat verder uit elkaar staande, compacte en rolronde vrouwelijke aren.
  • Driekantig-omgekeerd eivormige, korrelig ruwe, 2-3 mm lange urntjes met enkele verspreide, zeer korte haartjes en een rechte, zeer korte snavel.
  • Zeegroene zegge groeit op zonnige of licht beschaduwde, vrij open plaatsen op vochtige tot matig droge, meestal matig voedselarme, onbemeste, kalkrijke, soms zwak zure grond.
  • Groeiplaatsen zijn o.a. kalkgrasland, blauwgrasland, bermen, langs schelpenpaden, heide, stenige plekken in hellingbossen, kalk-, leem- en kleigroeven, beekwanden, slootkanten, kalkmoerassen, rivierdijken en duinvalleien.
  • Zeegroene zegge komt voornamelijk voor in Europa, Zuidwest-Azië en Noordwest-Afrika.
  • In Nederland en België is het een vrij algemene inheemse plant.

Uitgebreide beschrijving

Frysk Griene sigge

English Glaucous Sedge

Français Laîche glauque

Deutsch Blaugrüne Segge

Synoniemen Carex glauca

Familie Cyperaceae (Cypergrassenfamilie)

Naamgeving (Etymologie) Zegge stamt uit het Indogermaanse woord seq (snijden). Carex is zeer waarschijnlijk afgeleid van het Latijnse ceiro (ik snij), een verwijzing naar de scherpe kanten van de bladeren. Flacca betekent lap of hangend.

Kruising Zeegroene zegge kan een bastaard vormen met Blauwe zegge (Carex x albertii).

Levensduur Overblijvend.

Plantvorm Geofyt of hemikryptofyt.

Hoofdbloei April en mei.

Afmeting 20-50, soms tot 90 cm.


Daderot - cc0


Sten - cc by-sa 3.0


John De Vos - cc by-sa 2.0 fr


© Peter Meininger - verspreidingsatlas

Wortels Lange, ver kruipende, weinig vertakte, dunne, donkere tot bijna zwarte wortelstokken met uitlopers. Ze zijn door bruine schubben omgeven.


Neuchâtel Herbarium - cc by-sa 3.0


Neuchâtel Herbarium - cc by-sa 3.0


Neuchâtel Herbarium - cc by-sa 3.0


Neuchâtel Herbarium - cc by-sa 3.0

Stengels De stengels zijn stomp driekantig, worden tot 2 mm dik en zijn meestal glad. Ze zijn alleen onderaan bebladerd en langer dan de bladen.


Rolf Engstrand - cc by-sa 4.0


Fornax - cc by-sa 3.0


f_j - cc by-nc 4.0


Hans Toetenel - cc by-nc-sa 3.0 nl

Bladeren Steriele spruiten zijn wintergroen. De vrij stijve bladen zijn gootvormig en 2-5 mm breed. Ze hebben naar beneden omrollende, min of meer ruwe randen en aan de voet terugwijzende tandjes. Aan de bovenkant zijn ze blauwachtig donkergroen en van onderen lichter blauwgrijs. Ze zijn bijna van de voet af in een fijne punt versmald. De onderste bladscheden zijn licht- tot roodbruin of bijna zwart en rafelen niet.


Daderot - cc0


Kristian Peters - cc by-sa 3.0


Biodehio - cc by 3.0


Sten - cc by-sa 3.0

Bloemen Eenslachtig. Eenhuizig. De schutbladen ongeveer zijn even lang de bloeiwijze, maar het onderste schutblad steekt soms boven de bloeiwijze uit en heeft vaak een zeer korte schede. De stijf rechtopstaande bloeiwijze bestaat uit één tot drie dicht bij elkaar staande slanke mannelijke aren en daaronder twee tot vier (zelden vijf) wat verder uit elkaar staande, compacte (dichtbloemige) en rolronde vrouwelijke aren. Ze zijn meestal 1,2-3 cm lang. De onderste aar meestal zonderr schede, zelden met een schede. Ze hebben een draaddunne, 3-8 cm lange en tenslotte vaak overbuigende steel. De bloemen hebben drie stempels. De kafjes zijn eirond of langwerpig, spits, donker roodbruin met groene middenstreep, korter, langer dan of even lang als de urntjes. De mannelijke aartjes zijn smal cylindrisch. De kafjes zijn langwerpig, iets stomp en donker purperbruin met lichtere middenstreep.


Artem Topchiy - cc by-sa 3.0


Isidre blanc - cc by-sa 4.0


Gideon Pisanty - cc by-sa 3.0


Biodehio - cc by 3.0

Vruchten en zaden Een eenzadige dopvrucht of nootje. De niet opgeblazen urntjes zijn bruin tot zwart of heel soms groen. Ze zijn 2-3 mm lang, driekantig-omgekeerd eivormig, korrelig ruw en zijn vaak begroeid met enkele verspreide, zeer korte haartjes. Ze hebben een rechte, zeer korte snavel. De vrucht is breed eirond, driekantig en bruin met lichtere kanten en top. De zaden zijn kortlevend (één tot vijf jaar). Eenzaadlobbig.


Thierry Pernot - cc by-sa 2.0 fr


© Peter Meininger - verspreidingsatlas


Dominique Remaud - cc by-sa 2.0 fr


©2006 Digital Plant Atlas - cc by-nc-sa 3.0 nl

Biotoop

Bodem Zonnige of licht beschaduwde, vrij open plaatsen op vochtige tot matig droge, meestal matig voedselarme tot soms matig voedselrijke, onbemeste, kalkrijke, soms zwak zure grond (kalkgrond, klei, leem, zavel, kalkrijk laagveen, stenige plaatsen en soms op veen).

Groeiplaatsen Kalkgrasland, blauwgrasland, bermen, langs schelpenpaden, heide, stenige plekken in hellingbossen, kalk-, leem- en kleigroeven, beekwanden, slootkanten, kalkmoerassen, rivierdijken en duinvalleien.

Verspreiding

Wereld Europa, behalve in het noordoosten, Zuidwest-Azië en Noordwest-Afrika.

Nederland Inheems. Vrij algemeen.

België Inheems. Vrij algemeen.

2001-2026 K.M. Dijkstra - cc by-sa 4.0