Paardenbloem - Taraxacum officinale

Frysk: Hynsteblom

English: Dandelion

Français: Pissenlit

Deutsch: Löwenzahn

Synoniemen: Leontodon taraxacum, Taraxacum laevigatum

Familie: Asteraceae (Composietenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Taraxacum komt van het Oudgriekse taraxa (darmstoornis) en akon (geneesmiddel). Taraxacum betekent dus geneesmiddel tegen darmkwalen. Officinale komt van het Latijnse officium (werkplaats, in plantkundig/medische verband is dat de apotheek). Officinale betekent in gebruik in de apotheek / geneeskrachtig.

Opmerking: Er worden veel soorten of microsoorten onderscheiden. In ons gebied komen er minstens 250 voor. Enkele daarvan zijn: Zandpaardenbloem (Taraxacum sectie Erythrosperma), Oranjegele paardenbloem (Taraxacum sectie Obliquaq), Schraallandpaardenbloem (Taraxacum sectie Celtica), Haakpaardenbloem (Taraxacum sectie Hamata) en Moeraspaardenbloem (Taraxacum sectie Palustria). Voor de determinatie van de verschillende secties verwijs ik naar Heukels Flora van Nederland, Leni Duistermaat.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Hoofdbloei: (Januari-)maart t/m mei(-december).

Afmeting: 10-60 cm.


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl

Wortels: Een lange penwortel.


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl

Stengels: De holle, rechtopstaande stengel draagt één bloemhoofdje. Aan de stengel zitten geen bladeren. De stengels bevatten wit melksap.


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl

Bladeren: De bladen vormen een wortelrozet. Ze zijn langwerpig tot lijnlancetvormig, gelobd, veerspletig, veerdelig of getand en grasgroen. Ze kunnen kaal of iets wollig behaard zijn.


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl

Bloemen: Tweeslachtig. Het gele bloemhoofdje staat aan de top van de (niet vertakte) stengel en is 3-6 cm groot. Soms is het van buiten oranjerood. Er zijn alleen veel lintbloemen. Deze zijn vlak of soms ingerold. De kale, kussenvormige bloembodem heeft geen stroschubben. Het omwindsel is veelrijig, de buitenste rijen vrij kort en vaak teruggeslagen. Het vruchtbeginsel is onderstandig met een stijl en twee stempels.


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl

Vruchten en zaden: Een eenzadige dopvrucht of nootje. De lang gesnavelde nootjes zijn rood, bruin of strokleurig, aan de voet van de snavel versmald (daar getand) en bij de top zijn ze het breedst. Ze kunnen knobbelig-rimpelig zijn, maar ook glad. Het niet vertakte vruchtpluis is wit. De zaden zijn kortlevend (1-5 jaar). Tweezaadlobbig.


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


©2006 Digital Plant Atlas - cc by-nc-sa 3.0 nl

Biotoop

Bodem: Zonnige, zelden licht beschaduwde plaatsen op droge tot natte, voedselarme tot voedselrijke, matig zure tot kalkrijke, zoete tot zilte grond (alle grondsoorten).

Groeiplaatsen: Grasland (weiland, hooiland, uiterwaarden en gazons), bermen, dijken, zeeduinen (duinstruwelen, laagblijvend duingrasland, duinhellingen, zandduintjes en duinvalleien), hoge kwelders (schorren), muren, puin, langs spoorwegen (spoorbermen), ruderale plaatsen, braakliggende grond, akkers (akkerranden), tussen straatstenen, boomgaarden, bosranden, bossen (langs bospaden) en waterkanten (o.a. op steile wanden van bosbeken).

Verspreiding

Wereld: Van de poolstreken tot in warm-gematigde gebieden. In de tropen alleen in gebergten.

Nederland: Paardenbloem: Inheems. Algemeen.

Oranjegele paardenbloem: Inheems. Zeldzaam.

Zandpaardenbloem: Inheems. Vrij algemeen.

Moeraspaardenbloem: Inheems. Zeer zeldzaam.

Schraallandpaardenbloem: Inheems. Zeldzaam.

Haakpaardenbloem: Inheems. Vrij zeldzaam.

Vlaanderen: Paardenbloem: Inheems. Algemeen.

Zandpaardenbloem: Inheems. Vrij algemeen.

Moeraspaardenbloem: Inheems. Zeer zeldzaam.

Schraallandpaardenbloem: Inheems. Vrij algemeen.

Wallonië: Paardenbloem: Inheems. Algemeen.

Zandpaardenbloem: Inheems. Zeldzaam.

Moeraspaardenbloem: Inheems. Zeer zeldzaam.

Schraallandpaardenbloem: Inheems. Vrij zeldzaam.

Toepassingen

De officiele naam van de paardenbloem eindigt of officinale en dat betekent dat de plant in kloostertuinen gekweekt moest worden. Het kruid is vochtafdrijvend en versterkt de lever en gal in de aanmaak van spijsverteringssappen. Ook is het een mineraal- en vitaminerijke plant. Paardenbloem (Molsla) wordt ook wel als sla gegeten. Om de bitterheid te doen verminderen laat men de blaadjes eerst een uur in het water liggen. Vaker worden de planten in het donker gekweekt (net als witlof), waardoor ze bleek blijven en niet bitter smaken. Het melksap is licht giftig, gebruik de stengels daarom niet in salades. In Frankrijk wordt er jam gemaakt van de bloemen (zonder het groen). Het melksap werd gebruikt om wratten aan te stippen. Van de planten kun je ook prima plantenmest maken. Je overgiet de volledige planten met kokend water. Je laat het rustig afkoelen en gebruikt daarna het water als plantenbemesting.

©2001-2022 Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl