Klaas Dijkstra

Muizenoor
Pilosella officinarum


Klik op een afbeelding om te vergroten.


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0

In het kort.

  • Muizenoor of Pilosella officinarum is een soort uit de Composietenfamilie (Asteraceae).
  • Het is een overblijvende, 2-30 cm hoge plant.
  • Een penwortel .
  • Plakkaten vormend.
  • Vrij lange bovengrondse uitlopers met verspreide kleine bladen.
  • De rozetbladen zijn langwerpig-spatelvormig of smal eirond.
  • Muizenoor bloeit meestal in mei en juni.
  • Een citroengeel, 2-3 cm groot bloemhoofdje met alleen lintbloemen., aan de top van de stengel.
  • De geribde zaden zijn 1-2½ mm lang. Het vruchtpluis is wit.
  • Muizenoor groeit op zonnige of zelden licht beschaduwde, vrij open of grazige plaatsen op droge of iets vochthoudende, weinig of niet bemeste, matig zure tot kalkhoudende grond.
  • Groeiplaatsen zijn o.a. schraal grasland, gazons, kalkhellinggrasland, hoge delen van uiterwaarden, bermen, dijken, langs holle wegen, steile kantjes, duinhellingen, duinvalleien, steile slootkanten, greppelkantjes, heide, afgravingen, oude muren en spleten van oude bestrating.
  • Muizenoor komt voornamelijk voor in Europa, Zuidwest-Azië en Noordwest-Afrika.
  • In Nederland en België is deze inheemse soort algemeen.

Uitgebreide beschrijving

Frysk Mûze-earke

English Mouse-ear Hawkweed

Français Epervière piloselle

Deutsch Kleines Habichtskraut

Synoniemen Hieracium pilosella

Familie Asteraceae (Composietenfamilie)

Naamgeving (Etymologie) Pilosella betekent een weinig behaard. Officinarum betekent geneeskrachtig.

Kruisingen Muizenoor kan met verschillende verwante soorten kruisen.
1. Een bastaard met Weidehavikskruid (Pilosella flagellaris). Kenmerk. Omwindselbladen met zwarte klierharen.
2. Een bastaard met Grijs havikskruid (Hieracium x brachiatum). Kenmerk. Geen zwarte klierharen, bladen grijsachtig groen, plant meestal hoger dan de volgende.
3. Een bastaard met Spits havikskruid (Hieracium x schultesii). Kenmerk. Geen zwarte klierharen, bladen blauwachtig groen, plant laag.
4. Een bastaard met Oranje havikskruid (Hieracium x stoloniflorum).
Alle bastaarden kunnen op de ene of op de andere ouder lijken of ze staan in kenmerken tussen beide in. De bastaarden vormen plaatselijk hybridezwermen, herkenning van de oudersoorten kan op zulke plaatsen moeilijk of helemaal niet mogelijk zijn.

Levensduur Overblijvend.

Plantvorm Hemikryptofyt.

Hoofdbloei Mei en juni , maar soms t/m november.

Afmeting 2-30 cm.


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0

Wortels Een penwortel en met bovengrondse, wortelende uitlopers.


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0

Stengels Plakkaten vormend. Er zijn vrij lange bovengrondse uitlopers met verspreide kleine bladen. Naar de top van de uitlopers neemt de grootte van de bladen af.


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0

Bladeren De rozetbladen zijn langwerpig-spatelvormig of smal eirond. Vaak zijn ze boven het midden het breedst. Ze hebben een gave rand en staan meestal vrij vlak uitgespreid. Aan de bovenkant zitten verspreide enkelvoudige haren. Van onderen zijn ze dicht, witachtig en vaak viltig door sterharen. Bij langdurig droog weer krullen de bladen zich om met de witte onderkant naar boven. De bladen versmallen in de steel.


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


© Willem Braam - verspreidingsatlas


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0

Bloemen Tweeslachtig. De rechtopstaande, grijsachtig groene, behaarde bloeistengels dragen geen bladen, maar soms wel één of twee schubvormige blaadjes. Bovenaan staat één bloemhoofdje. De citroengele hoofdjes zijn 2-3 cm groot. Er zijn alleen lintbloemen. De randbloemen zijn van onderen roodgestreept. De omwindselbladen zijn smal, lijnvormig, tot 1½ mm breed en begroeid met lange enkelvoudige haren en klierharen, maar soms ontbreken die. Wel zijn er sterharen aanwezig. Het vruchtbeginsel is onderstandig met een stijl stijl twee stempels.


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0

Vruchten en zaden Een eenzadige dopvrucht of nootje. De zaden zijn 1-2½ mm lang. Het vruchtpluis is wit en bestaat uit één rij haren. Op de nootjes zie je kleine ribben. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één jaar). Tweezaadlobbig.


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Marinella Zepigi - cc by-nc-nd 4.0


Gianluca Nicolella - cc by-nc-nd 4.0


©2006 Digital Plant Atlas - cc by-nc-sa 3.0 nl

Biotoop

Bodem Zonnige of zelden licht beschaduwde, vrij open of grazige plaatsen op droge of iets vochthoudende, voedselarme tot matig voedselrijke, weinig of niet bemeste, fosfaatarme, matig zure tot kalkhoudende grond (zand, leem, löss, mergel, zavel en stenige plaatsen).

Groeiplaatsen Schraal grasland, hooiland, weiland, gazons, beweid of regelmatig gemaaid kalkhellinggrasland, hoge delen van uiterwaarden, bermen, dijken, langs holle wegen, steile kantjes, duinhellingen, duinvalleien, steile slootkanten, greppelkantjes, heide, afgravingen, oude muren, spleten van oude bestrating en lanen.

Verspreiding

Wereld Europa, Zuidwest-Azië en Noordwest-Afrika.

Nederland Inheems. Algemeen.

België Inheems. Algemeen.

2001-2026 K.M. Dijkstra - cc by-sa 4.0