Grote klit - Arctium lappa

Frysk: Grutte kladde

English: Greater burdock

Français: Grande Bardane

Deutsch: Große Klette

Synoniemen: Grote klis, Arctium majus

Familie: Asteraceae (Composietenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Klit heeft te maken met de vorm van de vruchten. Arctium is afkomstig van het Griekse arctos (beer), vanwege de ruwe bladen, maar met name de stekelige bloemhoofdjes, die op de borstelige, ruwe berenhuid lijken. Lappa komt van het Griekse lambanoo (grijpen), hetgeen slaat op de haakvormige stekels van de omwindselbladen.

Kruising: Grote klit kan een kruising vormen met met Donzige klit (Arctium x ambiguum) en met Gewone klit (Arctium x nothum).

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Tweejarig.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Hoofdbloei: Juni t/m augustus.

Afmeting: 40-200 cm.


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Christian Fischer - cc by-sa 3.0

Wortels: Een stevige penwortel.


europeana.eu - cc by-sa 3.0

Stengels: De rechtopstaande, vertakte, taaie en geribde stengels zijn behaard of min of meer kaal. De stengel eindigt in de bloeiwijze.


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Yoan Martin - tela-botanica.org - cc by-sa 2.0 fr


Rsbak - cc by-sa 3.0


Pethan - cc by-sa 3.0

Bladeren: De bladsteel van de grote rozetbladen is aan de voet gevuld met merg. De rozetbladen overwinteren niet. Het onderste blad is ongeveer even lang als breed (tot 50 cm). Het is hartvormig met een massieve, gootvormige steel, van onderen wittig en de stekelpunt aan de bladtop is langer dan bij andere klitten (min of meer naaldvormig). De kort gesteelde of soms zittende stengelbladen staan verspreid. Aan de onderkant zijn ze vaak enigszins witviltig. De bladrand is getand en aan de bladtop zit een stekelpunt.


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante - cc by-sa 4.0


Hégésippe Cormier - cc by-sa 4.0


Dalgial - cc by 3.0


Harinezumi - Public Domain

Bloemen: Tweeslachtig. De schermvormige of tuilvormige bloeiwijzen groeien aan het eind van de stengel. Van boven is de bloeiwijze vrijwel vlak. De 3-4½ cm grote bloemhoofdjes zijn bolvormig met een vrij korte of vrij lange steel. Ze zijn kaal tot iets behaard. De buisbloemen zijn paarsrood. De omwindselbladen zijn heldergroen of soms iets paars aangelopen, haakvormig gebogen en vrijwel kaal. De binnenste omwindselbladen zijn meestal iets langer (1-5 mm) dan de bloemen. Het vruchtbeginsel is onderstandig.


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante - cc by-sa 4.0

Vruchten en zaden: Een eenzadige dopvrucht of nootje. Door de haakvormige omwindselbladen blijven de vruchten aan de vacht van dieren hangen. Aldus worden de zaden verspreid. De zaden zijn langlevend (langer dan vijf jaar). Tweezaadlobbig.


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


© Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Matt Lavin - cc by-sa 2.0


©2006 Digital Plant Atlas - cc by-nc-sa 3.0 nl

Biotoop

Bodem: Zonnige tot licht beschaduwde, vrij open plaatsen op vochtige, voedselrijke grond (van zand tot klei, maar vooral rivierklei). Vooral op plaatsen waar veel aanspoelsel blijft liggen.

Groeiplaatsen: Struwelen, hooggelegen grienden, heggen in uiterwaarden, bossen (rivierbegeleidende loofbossen en langs paden in essenhakhoutbosjes), akkers, bermen, omgewerkte grond, ruigten (grazige en humeuze ruigten), braakliggende grond, waterkanten (langs rivieren, rivierkribben), kapvlakten, dijken, geluidswallen, langs spoorwegen (spoorwegterreinen), haventerreinen, industrieterreinen en bij steenfabrieken.

Verspreiding

Wereld: Oorspronkelijk uit de gematigde streken in Europa en Azië, met een onderbreking in Centraal-Azië.

Nederland: Archeofyt. Algemeen.

Vlaanderen: Archeofyt. Algemeen.

Wallonië: Archeofyt. Algemeen.

©2001-2022 Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl