Gevlamde fijnstraal - Erigeron bonariensis

Frysk:

English: Hairy fleabane

Français: Érigéron crépu

Deutsch: Südamerikanisches Berufkraut

Synoniemen: Conyza bonariensis

Familie: Asteraceae (Composietenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Fijnstraal slaat op de fijne straalbloemen. Erígeron komt van het Griekse êri (vroeg in de morgen) en gerôn  (grijsaard). Vroege grijsaard slaat op  het spoedig na de bloei zichtbaar worden van het vruchtpluis.  Bonariensis betekent afkomstig uit uit Buenos Aires (Bonaria).

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Eenjarig.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Therofyt.

Hoofdbloei: Augustus t/m november.

Afmeting: 10-80 cm.


© Koen van Zoest - verspreidingsatlas.nl


Marie Portas - tela-botanica.org - cc by-sa 2.0 fr


John de Vos - tela-botanica.org - cc by-sa 2.0 fr


Forest en Kim Starr - cc by 3.0

Wortels


Forest en Kim Starr - cc by 3.0


mississippiplants.org - cc by-nc 3.0


hasbrouck.asu.edu - cc by-nc 3.0


bisque.cyverse.org - cc by-nc 3.0

Stengels: De rechtopstaande stengels zijn aangedrukt tot vaak afstaand behaard.


© Frank van Gessele - verspreidingsatlas.nl


© Koen van Zoest - verspreidingsatlas.nl


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Harry Rose - cc by 2.0

Bladeren: De bovenste bladen zijn smal lijnvormig, de onderste langwerpig-lancetvormig (alle bladen zijn zijn spits). De stengelbladen zijn begroeid met korte, meestal kromme haren. De gekromde wimperharen zijn korter dan 0,5 mm.


bertrant.bui - tela-botanica.org - cc by-sa 2.0 fr


bertrant.bui - tela-botanica.org - cc by-sa 2.0 fr


Mathieu Menand - tela-botanica.org - cc by-sa 2.0 fr


Forest en Kim Starr - cc by 3.0

Bloemen: Polygaam. De bloeiwijze is min of meer tuilvormig, met lange zijtakken. De bloemhoofdjes zijn 5-11 mm breed. De rechtopstaande lintbloemen zijn draadvormig en worden 0,2-0,5 mm lang. De buisbloemen zijn voor het grootste deel vijflobbig. De gevlamde fijnstraal onderscheidt zich van de hoge fijnstraal doordat de omwindselbladen gewoonlijk een opvallend roodachtige top hebben (vandaar ook de naam van de plant).


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


© Koen van Zoest - verspreidingsatlas.nl


Harry Rose - cc by 2.0


Harry Rose - cc by 2.0

Vruchten en zaden: Een eenzadige dopvrucht of nootje. De hoofdjes in vrucht zijn 7-11 mm breed, Het vruchtpluis (pappus) is bruinachtig tot rozig bruin. Tweezaadlobbig.


© Adrie van Heerden - verspreidingsatlas.nl


bertrant.bui - tela-botanica.org -  cc by-sa 2.0 fr


Harry Rose - cc by 2.0


©2006 Digital Plant Atlas - cc by-nc-sa 3.0 nl

Biotoop

Bodem: Zonnige, open plaatsen (pionier en tredplant) op vrij droge, voedselrijke, omgewerkte of braakliggende, zandige grond.

Groeiplaatsen: Braakliggende terreinen, tussen plaveisel, tussen keien aan loskaden in havengebieden, tussen stenen van kademuren in binnensteden, in bermen, op bouwterreinen, rommelhoekjes, puinstorten en andere stenige plaatsen.

Verspreiding

Wereld: Oorspronkelijk uit de warmere gebieden in Midden- en Zuid-Amerika.

Nederland: Ingeburgerd tussen 1975 en 1999. Vrij algemeen. Voor het eerst in 1994 gevonden in Leiden.

Vlaanderen: Ingeburgerd. Vrij zeldzaam.

Wallonië: Ingeburgerd. Zeer zeldzaam.

©2001-2022 Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl