Wilde planten in Nederland en België

Nederlandse namen

A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

Bitterzoet - Solanum dulcamara

Andere namen

Frysk: Hûnebeistal

English: Woody Nightshade

Français: Douce-amère

Deutsch: Bittersüßer Nachtschatten

Verouderde of andere namen:

Classificatie

Klasse: Spermatopsida

Orde: Solanales

Familie: Solanaceae (Nachtschadefamilie)

Geslacht: Solanum (Nachtschade)

Soort: Solanum dulcamara

Naamgeving (Etymologie): Als je op de stengel kauwt proef je eerst de bittere smaak van de glycosiden, maar doordat deze door het speeksel worden ontleed en er sacharose vrijkomt, komt daarna de zoete smaak naar voren. Vandaar de Nederlandse naam Bitterzoet. Solanum is afgeleid van het Latijnse solari (pijnstillen of kalmeren). Enkele soorten van dit geslacht hebben een pijnstillende werking. Dulcamara komt van het Latijnse woord dulcis (zoet) en amaris (bitter).

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Halfstruik.

Winterknoppen: Fanerofyt of chamaefyt.

Bloeimaanden: Juni, juli, augustus en september.

Afmeting: 30-200 cm.


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL

Wortels: Een vertakte, kruipende wortelstok.


herbariaunited.org


Neuchâtel Herbarium - CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium - CC BY-SA 3.0


storage.idigbio.org - CC BY-NC 3.0

Stengels: De stengels kunnen klimmen, op de grond liggen, rechtop staan of soms winden. Ze hebben een houtige stengelvoet, die meestal overwintert. De bloeitwijgen sterven na vruchtzetting af. In de regel is de plant weinig behaard, maar met name in droge duinen komt een vrij sterk behaarde en tevens ietwat vlezige vorm van Bitterzoet voor.


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL

Bladeren: De verspreidstaande,  giftige, gesteelde, kale of soms behaarde bladen zijn donkergroen en vaak paars aangelopen. Ze kunnen sterk variëren in vorm. Ze zijn langwerpig tot eirond en spits, niet gedeeld of (met name de bovenste bladeren) pijlvormig (spiesvormig-driedelig) met aan de voet één of twee (zelden tot vier) oortjes of lobben. Een gave bladrand.


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL

Bloemen: Tweeslachtig. Vaak vrij rijkbloemige (10-25 bloemen), overhangende, schermvormige trossen (een ijle bloeiwijze), waarvan de steel meestal ongeveer tegenover een blad begint. De knikkende, 1-1½ cm grote bloemen zijn vijfdelig, blauwpaars of zelden wit. De eerst uitgespreide, maar later teruggeslagen kroonslippen hebben aan de voet twee groene vlekken met een witte rand. De bleekgele helmknoppen zijn onderling vergroeid en gaan naar binnen open. De ondiep gelobde kelk groeit na de bloei niet uit. Een bovenstandig vruchtbeginsel.


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL

Vruchten: Een bes. De niet eetbare, hangende, glanzende bessen zijn eerst groen, later worden ze rood tot roze. Ze zijn eivormig tot langwerpig. De zaden zijn kortlevend (één tot vijf jaar). Tweezaadlobbig.


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL

Biotoop

Bodem: Zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op soms droge, maar meestal vochtige tot vaak natte, matig voedselrijke tot voedselrijke, soms stikstofrijke en vaak kalkhoudende grond (alle grondsoorten).

Groeiplaatsen: Bosranden, struwelen (o.a. jeneverbesstruweel), heggen, bossen (moerasbossen, grienden en andere natte bossen), kapvlakten, aanspoelselgordels, drijftillen, moerassen (verlandingsvegetaties), waterkanten (o.a. langs voedselrijke hoogveenwijken of heidevennen en langs greppels), natte ruigten, ruderale plaatsen, plantsoenen, tegen hekwerk, op oude muren, in oude knotbomen, langs spoorwegen (spoordijken), zeeduinen (o.a. op droge, stikstofrijke plaatsen in de zeereep) en aan de voet van stenige hellingen.

Verspreiding

Wereld: Oorspronkelijk in gematigde streken in Europa en Azië. In Zuidoost-Azië tot in de tropen. Ingeburgerd in o.a. Noord-Amerika en Nieuw-Zeeland.


gbif.org

Nederland: Algemeen.
Rode lijst 2012. Thans niet bedreigd. Trend sinds 1950: stabiel of toegenomen. Algemeen. Oorspronkelijk inheems.


Verspreidingsatlas.nl

Vlaanderen: Algemeen.
Rode lijst. Thans niet bedreigd.

Wallonië: Algemeen, maar vrij zeldzaam in de Ardennen.
Rode lijst. Thans niet bedreigd.

Toepassingen

Medicinaal: Zoals bij vrijwel alle Solanum-soorten zijn de bladeren giftig. Bitterzoet bevat meerdere glycosiden. Uit de volksnamen blijkt dat de stengel houtig (Stinkhout, Zoethout) en de plant giftig (dol = Dolkruid) is en in verband werd gebracht met elfen. De stengels bevatten ook alkaloïden. In de volksgeneeskunde werden drie handen gedroogde bladen, samen met 100 gram lijnzaadmeel gekookt in een liter (rode) wijn. Men liet het met een ons reuzel inkoken tot een papje. Dit papje werd toegepast bij steenpuisten. Een overdosis leidt onder andere tot verlies van spraak. In de farmacie wordt de plant voor meerdere huidaandoeningen gebruikt. De oude Egyptenaars gebruikten de plant al. Voor hen had Bitterzoet waarschijnlijk ook een rituele betekenis. Om de nek van de mummie van Toetanchamon werd namelijk een ketting van bessen van de Bitterzoet aangetroffen. In Duitsland hingen de boeren wel eens Bitterzoet om de nek van hun vee om het te beschermen tegen kwade geesten. Bitterzoet bestreed ook duizeligheid in het hoofd.

Vermeerderen: Zaaien of stekken.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 6, Jan Kops en Herman Christiaan van Hall (1832)


Afbeeldingen der artseny-gewassen met derzelver Nederduitsche en Latynsche beschryvingen, deel 1, Dirk Leonard Oskamp (1796)


Cruijdeboek, deel 3, Rembert Dodoens. Wortelen, medecynale cruyden, ende quaden hinderlijcke ghewassen (1554)


Naauwkeurige beschrijving der aardgewassen, deel 1, A. Munting (1696)


Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé (1885-1905)

Deutschlands Flora in Abbildungen, Jacob Sturm und Johann Georg Sturm

Flora Londinensis, deel 1, William Curtis (1775-1777)

English Botany, or Coloured Figures of British Plants, deel 6, J.E. Sowerby (1866)

Medical Botany, deel 2, W. Woodville, W.J. Hooker, G. Spratt (1832)

Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1888)

Svensk botanik, deel 1, J.W. Palmstruch e.a. (1807)


Plantarum indigenarum et exoticarum Icones ad vivum coloratae, deel 2 (1789)


Atlas des plantes de France, deel 3, Amédée Masclef (1893)


Herbier de la France, deel 1, P. Bulliard (1776-1783)


Flore médicale, deel 3, F.P. Chaumeton (1830)

Flora homoeopathica, deel 1, E. Hamilton (1852)


Plantae officinales, deel 2, T.F.L. Nees von Esenbeck, A. Henry (1828-1833)


Icones plantarum medico-oeconomico-technologicarum, deel 1, F.B. Vietz (1800-1822)

Vollständige Beschreibung und Abbildung der Sämmtlichen Holzarten, F.L. Krebs (1826)


Kräuterbuch, Unsere Heilpflanzen in Wort und Bild, Friedrich Losch (1914)


Repräsentanten einheimischer Pflanzenfamilien in bunten Wandtafeln mit erläuterndem Text, deel 23, C. Bollmann (1879-1882)


Flora Parisiensis, deel 2, P. Bulliard (1776-1781)


Traité des arbres et arbustes, Nouvelle édition, deel 6,H.L. Duhamel du Monceau, P.J. Redouté (1815)


Flora regni borussici, deel 2, A.G. Dietrich (1834)

Hortus Eystettensis, deel 2, Bessler, Basilius (1620)

© 2001-2018 K.M. Dijkstra