Biesknikbloem - Chondrilla juncea

Frysk:

English: Hogbite

Français: Chondrille effilée

Deutsch: Ruten-Knorpelsalat

Synoniemen: Knikbloem

Familie: Asteraceae (Composietenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Chondrilla komt van het Griekse chondros (grutten), de betekenis hiervan is niet duidelijk. Juncea betekent biesachtig.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Hoofdbloei: Juli en augustus(-september).

Afmeting: 60-120 cm.


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Alice Chodura - cc by-sa 3.0


Stefan.lefnaer - cc by-sa 3.0


Javier martin - Public Domain

Wortels: Een lange penwortel.


usuherbarium.usu.edu - cc0-1.0


Neuchâtel Herbarium - cc by-sa 3.0


Neuchâtel Herbarium - cc by-sa 3.0


Neuchâtel Herbarium - cc by-sa 3.0

Stengels: De stijve stengels zijn vertakt, bezemachtig en met maar weinig bladen. Ze zijn grijsgroen en kaal of vooral onderaan stijfharig.


Leo Michels - cc0


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


Stefan.lefnaer - cc by-sa 3.0


Matt Lavin - cc by-sa 2.0

Bladeren: De onderste (rozet)bladen zijn langwerpig, diep getand tot veerspletig en verdorren snel. De bovenste (stengel)bladen zijn lijnvormig, gaafrandig of soms getand en niet stengelomvattend.


Gertjan van Mill - cc by-nc-sa 3.0 nl


Matt Lavin - cc by-sa 2.0


Alice Chodura - cc by-sa 3.0


Javier martin - Public Domain

Bloemen: Tweeslachtig. De bloemen staan afzonderlijk of in kleine groepjes (tot vijf) en zijn dan tot een pluim verenigd. Ze zijn niet gesteeld. De kleine, lichtgele hoofdjes zijn ongeveer 1 cm breed. Alle bloemen zijn lintvormig. De bloemhoofdjesbodem is vlak en heeft geen stroschubben. De omwindselbladen zijn lijnvormig tot langwerpig, staan opgericht en zijn al of niet behaard.


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


Harry Rose - cc by 2.0

Vruchten en zaden: Een eenzadige dopvrucht of nootje. De nootjes zijn gesnaveld. Aan de voet van de snavel zie je een kraag van vijf of zes korte spitse schubben. Het vruchtpluis (pappus) bestaat uit talrijke haren en is wit en buigzaam. Tweezaadlobbig.


Willie Riemsma - cc by-nc-sa 3.0 nl


Matt Lavin - cc by-sa 2.0


Matt Lavin - cc by-sa 2.0


©2006 Digital Plant Atlas - cc by-nc-sa 3.0 nl

Biotoop

Bodem: Zonnige, open tot grazige plaatsen op droge, matig voedselrijke, kalkhoudende  grond (zand of stenige plaatsen).

Groeiplaatsen: Akkers (akkerranden en graanakkers), zandheuvels, ruigten (kalkrijke ruigten), tussen straatstenen en grasland (zandige plaatsen).

Verspreiding

Wereld: Zuidwest-Azië, Noord-Afrika, Zuid- en Midden-Europa, tot in Luxemburg, Noord-Frankrijk en Oost-Nederland. Ook in Duitsland is de soort sterk achteruitgegaan. In Australië breidt ze zich na invoering juist sterk uit.

Nederland: Inheems. Zeer zeldzaam.

Vlaanderen: Niet ingeburgerd. Zeer zeldzaam.

Wallonië: Niet ingeburgerd. Zeer zeldzaam.

©2001-2022 Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl