 | Namen Nederlands: Wilde kamperfoelie (Kamperfoelie) Frysk: Papsûger English: Common honeysuckle (English Wild Honeysuckle) Français: Chèvrefeuille des bois Deutsch: Wald-Geißblatt Wetenschappelijk: Lonicera periclymenum Familie: Kamperfoeliefamilie, Caprifoliaceae Beschrijving Afmeting: 2 tot 6 meter. Levensduur: Overblijvend. Bloeimaanden: Juni t/m augustus, soms tot oktober. Stengels: De houtige stengels zijn rechtswindend of kruipend en worden tot enkele meters lang. De beharing verdwijnt met het ouder worden. Bladeren: De bladeren staan tegenover elkaar in tweetallen. Ze zijn van boven donkergroen en van onderen blauwgroen. Ze zijn eivormig tot langwerpig en 4 tot 10 cm lang. Meestal hebben ze een kale rand en een kort toegespitste top. Ze zijn wigvormig in een korte steel versmald. Het bovenste paar is onder de bloeiwijze niet gesteeld. De bladeren van de bloeiende takken zijn niet vergroeid aan de voet. Bloemen: De bloemen zitten in gesteelde hoofdjes. Ze zijn klierachtig behaard, geelwit en soms zijn ze rood of paars aangelopen. Ze zijn 4 tot 5 cm lang en hebben 2 lippen. De nauwe buis is minstens 2 cm lang en iets gekromd. De bovenlip en de onderlip krommen zich tijdens de bloei achterover. De lange helmknoppen zijn in het midden scharnierend bevestigd aan de helmdraden, die meer dan 1 cm buiten de kroon uitsteken. De stijl steekt nog verder uit. De bloemen verspreiden een sterke geur. Vruchten: De bessen zijn rood en niet met elkaar vergroeid. Ze zijn zwak giftig. Biotoop Bodem: Zonnige tot beschaduwde plaatsen op droge tot vrij natte, matig voedselarme tot matig voedselrijke, zwak tot matig zure, meestal kalkarme, maar soms kalkhoudende, humeuze grond (zand, leem, veen en stenige plaatsen). Groeiplaatsen: Loofbossen (vooral op open plekken), bosranden, struwelen, heggen, rotsen, klippen, moerassen, slootkanten en duinen. Verspreiding Wereld
 In West-Europa. Noordelijk tot West-Noorwegen, zuidelijk tot in Marokko en oostelijk tot in Polen, de Kaukasus en de Alpen. Zeer zeldzaam in Italië. Ingeburgerd in het oosten van Noord-Amerika. Nederland
 Algemeen, maar zeldzaam in kleistreken. Vlaanderen
 Algemeen, maar zeldzaam in de Polders. Het meest in de Kempen. Rode lijst. Niet bedreigd. Wallonië: Algemeen. Wetenswaardigheden De geslachtsnaam werd door Linnaeus genoemd naar de Duitse botanicus Adam Lonicer. De soortnaam is afkomstig van het-Griekse perikleiein: 'ontwinden'. De Nederlandse naam is overigens een verbastering van het Latijnse caprifolium, dat geitenblad betekent. De bloemen staan in paren aan weerszijden van de stengel en werden daardoor een symbool van twee geliefden. Men meende dat als er kamperfoeliebloemen in huis kwamen, een bruiloft spoedig zou volgen. In het jaar 77 schreef Dioscorides over de gunstige werking van een drankje, gemaakt van de zaden, op nierkwalen en vermoeidheid. Ook bij hoofdpijn, longinfecties en astma werd kamperfoelie gebruikt. In het laatste geval werden de bloemen in huis gestrooid. Omdat de bloembodem diep ligt kunnen bijen er niet bij. Hommels en vlinders bezoeken de bloemen. Ook de Zevenslaper (een muizensoort) bezoekt de plant, maar met de bedoeling stukjes van de bast af te knagen. |