 | Namen Nederlands: Sleedoorn Frysk: Krikelbeam English: Blackthorn Français: Epine noire Deutsch: Schlehe Wetenschappelijk: Prunus spinosa Familie: Rozenfamilie, Rosaceae Beschrijving Afmeting: 1½ tot 3 meter. Levensduur: Overblijvend. Bloeimaanden: Maart t/m mei. Wortels: Veel wortelopslag. Stam: De bast is donkerbruin of vrij zwart. Takken: Oudere takken eindigen in een doorn, jonge takken zijn dof viltig. Bladeren: De eironde tot lancetvormige bladeren hebben de grootste breedte boven het midden. Ze zijn matgroen, gezaagd en 2 tot 4 cm groot. De bladsteel is 0,4 tot 1 cm lang. Bloemen: De alleenstaande bloemen groeien dicht bij elkaar op korte takjes. Ze verschijnen voor de bladeren en worden 1 tot 1,5 cm groot. De kroonbladen zijn wit, langwerpig en 5 tot 8 mm lang. De kelkbladen zijn onregelmatig en fijn getand. Een bloem bevat ongeveer 20 meeldraden. Vruchten: De rechtopstaande steenvruchten zijn bol- tot eivormig, 1 tot 1½ cm in doorsnee en blauwzwart van kleur. Ze groeien op korte stelen en zijn wrang van smaak. Biotoop Bodem: Zonnige tot half beschaduwde plaatsen op vochtige, matig voedselrijke, zwak zure tot vaak kalkhoudende grond (lemig zand, mergel, löss, leem, zavel, klei en stenige plaatsen). Groeiplaatsen: Heggen, bosranden, bossen, struikgewas, bermen, duinen, zandige uiterwaarden, kleigroeven, kapvlakten, steile kalkhellingen, steile kanten langs akkers, dijken, spoorbermen en zandduintjes langs rivieren. Verspreiding Wereld
 In Europa, noordelijk tot in Zuid-Scandinavië. Ook in Zuidwest-Azië en Noordwest-Afrika. Nederland
 Vrij algemeen in het zuidoosten, op de zandgronden en in de duinstreek en zeldzaam in Zuid-en Noord-Holland en het Fries-Groningse kleigebied. Vlaanderen: Algemeen, maar vrij zeldzaam in het kustgebied, Vlaanderen en de Kempen. Wallonië: Algemeen. Wetenswaardigheden Van de vruchten (sleeën) maakt men jam en wijn. Ook worden ze gebruikt om gin op smaak te brengen. Het spinthout is lichtgeel, het kernhout bruin. Het is sterk en hard met een mooie glans. Het wordt hoofdzakelijk gebruikt voor tanden van grasharken en wandelstokken. Door het dicht vertakt stelsel van ondergrondse stengeldelen met vele jonge loten, houdt de struik op hellingen de grond goed vast. |