 | Namen Nederlands: Krabbenscheer (Krabbescheer) Frysk: Ielstikel English: Water soldier (Crabs Claw) Français: Aloès d'eau Deutsch: Krebsschere Wetenschappelijk: Stratiotes aloides Familie: Waterkaardefamilie, Hydrocharitaceae Beschrijving Afmeting: 15 tot 40 cm. Levensduur: Overblijvend. Bloeimaanden: Mei t/m juli. Stengels: De wintergroene stengels leven afwisselend onder en half boven water. De stengels bestaat uit een zeer kort stammetje met een rozet van talrijke bladeren. Er worden uitlopers gevormd vanuit de oksels van sommige bladeren. Bladeren: De bladeren vormen samen een rozet. Het rozet bestaat uit vele lijnvormige tot langwerpige, enigszins gootvormig gekromde, spitse, getande bladeren, die tot een paar dm lang worden. Op elke bladtand zit een naar voren gerichte stekel. De onder-waterbladeren zijn donkergroen tot wijnrood. De boven-waterbladeren zijn grasgroen. Bloemen: Krabbenscheer is tweehuizig. De bloeiwijzen zitten in de oksels van 1 of enkele bladeren in het midden van de rozet en zijn meestal korter dan de bladeren. De kroonbladen zijn wit. Bij de vrouwelijke planten ontspringt in de bloeischede 1 vrijwel zittende bloem met een trechtervormige kroon van ongeveer 4 cm. Het vruchtbeginsel is naar de top vernauwd, zodat de rest van de bloem op een steeltje lijkt te staan. De bloemen hebben 6 korte stijlen, die elk 2 lange stempels hebben. Bij de mannelijke planten ontspringen in de bloeischede 3 tot 6 gesteelde bloemen, waarvan maar 1 tegelijk bloeit. Deze hebben een schaalvormig uitgespreide bloemkroon en ongeveer 12 meeldraden. Vruchten: Er ontstaan maar zelden vruchten. De doosvruchten zijn groen, besachtlg, leerachtig-vlezig, zeskantig met 2 scherpe, gestekelde ribben. De zaden zijn buis- tot worstvormig, bruin en ongeveer 1 cm lang of soms veel korter. De breedte is maximaal 3 mm. Biotoop Bodem: Zonnige, luwe plaatsen in ondiep, stilstaand of langzaam stromend, matig voedselrijk tot voedselrijk, zoet tot zwak brak, zwak zuur tot zwak kalkhoudend water met een bodem van laagveen, rivierklei of zand. Groeiplaatsen: Spoorsloten, plassen, vijvers, luwe zijden van niet te grote plassen, petgaten, brede maar niet te diepe sloten, nieuwe kavelsloten, niet meer gebruikte kanalen, hoogveenwijken en hoogveenpoelen met binnendringend voedselrijk water, oude afgravingen en afgesloten rivierarmen. Verspreiding Wereld
 Koel-gematigde delen van West- en Midden-Azië en Europa. Noordelijk van Midden-Engeland door Zuid-Zweden en Finland naar Noord-Rusland en zuidelijk tot in het dal van de Donau tot aan de Zwarte zee. Ook in de Povlakte. Min of meer ingeburgerd in Schotland, Ierland en Frankrijk. Nederland
 Plaatselijk vrij algemeen in laagveengebieden, met name in Fryslân, bij Groningen, in Zuidwest-Drenthe, Noord- en West-Overijssel, Midden- en oostelijk Zuid-Holland, in aangrenzende delen van Noord-Holland en Utrecht, in het Gelderse rivierengebied en in noordelijk Noord-Brabant. Elders zeer zeldzaam of ontbrekend. Rode lijst 2. Sterk afgenomen. Vlaanderen: Zeldzaam. Rode lijst. Met verdwijning bedreigd. Beschermd. Wallonië: Zeer zeldzaam. |